Veiligheidsgedrag: vriend of vijand?

Vandaag werd me weer even pijnlijk duidelijk hoeveel veiligheidsgedrag ik nog vertoon op een doorsnee dag. En vooral ook hoe ontzettend ik daar aan hang. Of beter gezegd: dat het vertrouwen in mijn lijf er nog steeds niet helemaal is. Sommige dingen zijn zo normaal geworden dat ik er niet eens meer echt bij stil sta. Tot het dus ineens wegvalt. En dat ging vandaag eigenlijk per ongeluk.
Veiligheidsgedrag zijn de dingen die je doet of bij je hebt om paniek te voorkomen of te controleren. Het is eigenlijk een soort psychologische vangrail. Je hebt het meestal niet echt nodig, maar het geeft je brein het idee: als het misgaat, kan ik ontsnappen of mezelf reguleren. Dat geeft een gevoel van controle en ontspant het zenuwstelsel een beetje.
Maar vallen die externe veiligheidjes ineens weg, dan voelt dat voor het brein als: escape weg, mogelijk gevaar. En dat kan dan weer een paniekreactie triggeren. Dat is de paradox.
De echte angst is niet dat er iets externs gebeurt. De echte angst is dat ik de controle kwijtraak over mijn eigen lichaam of geest. Het scenario is vaak dit: ik voel angst of paniek, ik kan er gevoelsmatig niet uit, ik kan mezelf niet reguleren, en ik verlies controle. Natuurlijk weet het rationele deel van mijn brein dat ik dit al heel vaak heb overleefd en dat er feitelijk niets aan de hand is. In de buitenwereld in ieder geval niet 😉
Vanmorgen was mijn vriend blijven slapen. Dat was fijn, en mijn aandacht was meer daarbij dan bij het inpakken van mijn tas. Onderweg naar de auto (we reden samen naar het werk) voelde ik al dat er iets niet klopte. Maar het duurde nog even voor de kwartjes begonnen te vallen.
Het eerste dat ik ontdekte was dat mijn portemonnee ontbrak. Daarmee ook mijn ov-chipkaart, mijn neusspray en noodvoorraad oxazepammetjes. Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik voor het laatst echt van dat noodpakketje gebruik heb moeten maken, maar het niet bij me hebben geeft meteen kortsluiting.
Normaal zou dat op een doorsnee dag niet zo’n enorm probleem zijn, omdat ik mijn auto bij me heb. Die voelt nog steeds als een veilige plek. Van daaruit komt het meestal wel weer goed. Bovendien ligt daar normaal gesproken ook een reserve neusspray en een pammetje. Alleen had ik die laatst ergens anders neergelegd.
En toen kwam de volgende ontdekking: de auto ging met mijn vriend mee naar zijn werk. En ik had ook geen extra set huissleutels bij me. Geen waterfles. Eigenlijk niks.
In de praktijk betekende dat dus: ik kon niet zomaar weg. Geen auto, geen ov, en niets bij me om de angst de kop in te drukken als het me zelf niet zou lukken. En dat geeft kortsluiting.
Het is eigenlijk wel interessant om te zien wat er dan allemaal in mijn hoofd gebeurt. Dat gaat werkelijk alle kanten op. Een deel ziet nog de ervaringen uit het begin van de paniekstoornis. Een ander deel is nieuwsgierig of het lukt om bewust te blijven. En weer een ander deel begint meteen praktische oplossingen te bedenken.
Het hebben van een plan B kalmeert. Mijn brein hoeft niet eens per se de oplossing, alleen een ontsnappingsmogelijkheid.
En ondertussen begint het bekende veiligheidsgedrag te draaien: minuten tellen (want het brein wil voorspelbaarheid en controle), routes bedenken, denken aan een drogist voor iets kalmerends, een flesje water. Het zijn allemaal manieren om weer een beetje grip te krijgen.
Zelfs mijn lijf lijkt soms verdeeld. De spanning die ik voel is eigenlijk niet eens zo intens, maar de associatie met het gevoel van vroeger maakt het lastig. De angst voor controleverlies. Dat oude gevoel van: ik verlies mezelf, ik kan mezelf niet meer stoppen.
Het systeem leert helaas alleen door ervaring dat dat niet zo is, niet door logica.
En dat was eigenlijk het mooie aan vandaag. Dit was zo’n ervaring. Geen auto, geen medicatie voorhanden, en toch blijven functioneren. De paniek komt, en de paniek zakt ook weer.
Op sommige momenten werd ik me weer heel bewust van het feit dat ik in mijn lichaam woon. En dat ik het daar dus gewoon opgeruimd en gezellig moet maken. Dan maakt het minder uit waar ik ben.
De kern van paniek zit uiteindelijk niet eens in de duizeligheid of benauwdheid. Het zit in dat ontwrichtende gevoel dat het fundament onder je eigen geest wegvalt. Alsof je eigen systeem onbetrouwbaar is geworden. Alsof dat huis waar ik in woon eigenlijk een spookhuis is, waar zich elk moment een horrorscenario kan afspelen.
Maar vandaag gebeurde er ook iets dat mijn oude brein nog niet helemaal gelooft: de paniek kwam, ik bleef erin, en mijn systeem reguleerde uiteindelijk weer.
Dat klinkt misschien niet spectaculair. Maar voor mij is het een begin van een nieuw soort vertrouwen dat begint te groeien. Het gevoel van eigenaarschap over mijn eigen systeem dat langzaam terugkomt. Het lijkt in ieder geval een mogelijkheid.